Martin Hillenga

Blindengeleidelapjeskat

Advertenties

Ineens was er volop aandacht voor het Nedersaksisch. De reden daarvoor was eerst compleet onduidelijk. ‘Nedersaksisch wordt officieel onderdeel van de Nederlandse taal’ kopte de NOS aan het begin van de week, zonder al te veel kennis van zaken.

Dat ‘officieel onderdeel van het Nederlands’ is een feitelijke onmogelijkheid. Het Nederlands en het Nedersaksisch zijn twee talen naast elkaar, met elk hun eigen ontwikkelingsgeschiedenis. De één erkennen als onderdeel van de andere is hetzelfde als een poes autoriseren als nieuw hondenras. Niemand zal daarna graag met zijn blindengeleidelapjeskat op stap gaan.

Een convenant, aanleiding voor alle nog ongefundeerde media-aandacht, kwam woensdag uit de lucht vallen. Daaruit blijkt weinig nieuws onder de zon (lees de tekst: hier).

Bevestigd wordt wat al lang een feit is: de Nedersaksische taal is sinds 1998 erkend onder deel II van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. En passant wordt in één van de verdragspunten zelfs de weg afgesneden naar een erkenning onder deel III van het Handvest, die meer bescherming biedt omdat daarbij juridische status en geld horen. Het recente convenant is eigenlijk alleen een intentieverklaring voor samenwerking tussen overheden. Die moeten nu gaan doen wat ze al hadden moeten doen. Kennelijk is dat aanleiding voor vreugde. Povverd mit krinten!

Die onderlinge samenwerking is wel terecht een punt van zorg. Het Nedersaksisch bestaat namelijk niet. Vooral taalkundigen gebruiken de term om een familie van verwante streektalen mee aan te duiden. Haast niemand zal zich spreker van het Nedersaksisch voelen, net zo min als dat de Benelux allerlei onstuimige nationalistische gevoelens aanwakkert. De focus ligt vooral op het eigen taalgebied.

Dat bleek deze week wel uit alle kaartjes van streektalen in Nederland die opdoken op social media. Die kloppen nooit, tenminste niet vanuit een individueel perspectief. ‘Het Kollumerpompsters staat er niet op’, las ik ergens in de comments. ‘Hoe komen ze erbij dat in Emmen Zuid-Drents wordt gesproken?’ ‘Ja, vroeger misschien, maar in Westerwolde praten ze nu toch echt vooral Veenkoloniaals’…

Zelf viel me op dat het noorden van Nederland een fijnmaziger verdeelde lapjesdeken aan taalgebieden is dan het zuiden. Terschelling is keurig verkaveld over drie dialecten en zelfs het haast verdwenen Stad-Gronings staat erop, waar het Mestreechs ontbreekt. De vervaardiger van het kaartje zal toch geen Noorderling zijn? Tegen die gedachte pleit dat ook het Afsluitdijks, de taal die wordt gesproken tussen Kornwerderzand en Den Oever, jammer genoeg niet staat vermeld.

Het Noorderplein in Winschoten, begin jaren ’30.

Omdat Jan Mulder werkelijk overal verstand van heeft, citeer ik graag uit zijn toespraak op de eerste Dialectendag in 1991:

‘Ik spreek het Gronings uit de Engelstilstraat, dat heel anders was dan het taaltje van het Noorderplein, een zijstraat van onze straat. Daar praten ze met een vinger in de mond, klinkt heel eigenaardig. Het lijkt wel Noors, maar het is wel degelijk Noorderpleins uit Winschoten. Iets verderop in de Olieslagerstraat spreekt men Olieslagerstraat-Gronings, waar wij natuurlijk niks van snapten. De familie Reinders, wonende op nummer 23 in diezelfde Olieslagerstraat, kon het plat-Gronings van hun buren niet verstaan. Zij spraken dan ook Zuid-Olieslagerstraat-Gronings.’

 

 

Advertenties

Advertenties